Rauwe voeding voor Honden

Omschakelen naar rauwe voeding - deel 1

Rauwe voeding voor Honden heeft geen commerciële belangen en biedt informatie voor een ieder die interesse heeft in een mooie manier van natuurlijk voeren, die al veel langer bestaat dan dat brok- en blikvoeding hun intrede deden.

 

Natuurlijke enzymen en bacteriën

 

Brok- en blikvoeding bevatten geen natuurlijke enzymen en bacteriën om het gehele metabolisme van een carnivoor, waaronder ook de gedomesticeerde hond, kat en fret vallen, ‘gezond’ te houden. De voeding is vaak van zeer erbarmelijke kwaliteit, verhit, 'dood' en steriel, waardoor het totaal geen functie meer heeft op het gestel van een carnivoor. Het toevoegen van kunstmatige enzymen en 'probiotica' aan dergelijke voeding blijkt vaak niet afdoende om een blijvend gezond functioneren te bewerkstelligen. In feite overleeft het dier dat dit soort voeding moet eten op de toegevoegde premixen en ranzige vetten, die als laatste worden toegevoegd.

 

Een voeding die niet gelijk is aan het carnivore spijsverteringsstelsel, kan het dier minder bescherming bieden. Hierdoor wordt het dier vatbaarder voor ziektes. 

Aminozuren uit dierlijke eiwitten, vetten, vitamines en mineralen waaronder calcium van dierlijke oorsprong, zijn de belangrijkste bouwstoffen voor een carnivoor. Deze bouwstoffen bevatten de meest hoogwaardige natuurlijke kwaliteit die maar denkbaar is en in onbewerkte staat zijn ze dan ook volledig opneembaar voor het carnivore spijsverteringsstelsel.


Een zeer belangrijk aspect als het gaat om een gezonde hoogwaardige soortgerichte voeding voor onze carnivore vrienden. Een adequate rauwe voeding zorgt voor een goede uitvoer van de vele belangrijke processen in het lichaam, voedt de botten, spieren, pezen en het weefsel, heeft een gunstige invloed op het brein en laat in het algemeen het dier goed floreren.

Natural Raw Feeding (NRF) voor honden

 

Er bestaat geen ultieme waarheid in het zelf samenstellen. Hang je de visie van het Raw Feeding aan of ben je een fervent BARF-er? Jouw hond zal laten zien wat het nodig heeft en daar kun je heel mooi op aanpassen. Geen één hond is immers hetzelfde of heeft dezelfde behoeftes.

 

Zo is het ook niet mogelijk dat een commercieel geproduceerde brok-, blik- of KVV-voeding exact is afgestemd op de individuele behoefte van elk dier. Dus laat je niet verleiden door reclames dat 'alles' wat een dier nodig heeft in een zak brok, blik of KVV zit, want dan kom je zeer bedrogen uit.

 

Is NRF dan zo moeilijk? Nee, absoluut niet!! 

 

Tijdens de omschakeling naar rauwe voeding moet het maag- en darmstelsel van honden wennen aan het ontvangen van hun soortgerichte NRF dieet. Het voordeel van rauwe voeding is dat de maag en darmen minder complexe verteringsprocessen hoeven uit te voeren.

 

Pups die nog afhankelijk zijn van de moedermelk, hebben een alkalischer maagzuurconcentratie dan een volwassen hond op Natural Raw Feeding. Bij het spenen zal je hiermee rekening moeten houden door makkelijk verteerbare eiwitten te verstrekken. Pups en kittens van gerenommeerde fokkers eten al op een leeftijd van 3-4 weken gemalen rauwe voeding en doen zich op een leeftijd van 5-6 weken tegoed aan bevleesde karkasjes en alle andere items die binnen het NRF passen. Van nature is hun systeem ingericht op het ontvangen van een soortgerichte voeding.

 

De basis is te voldoen aan de verhouding van een prooidier per week. De key-word is dan ook na een geleidelijke omschakeling veel te variëren met dik bevleesde karkassen, spiervlees en orgaanvlees van zowel kleine als grote jonge diersoorten en aan te vullen met een gezond deel 'overige'. 


Hoe zit het dan met die verhoudingen?

Om een gemiddeld prooidier naar 100% te simuleren, kun je gebruik maken van: 

60%-70% spiervlees (incl. vet/huid/vacht)
10%-20% orgaan
10%-20% bot
10%-20% overige 

 

Binnen het Natural Raw Feeding ligt de nadruk op het voeren van dik bevleesde karkassen en prooidieren.
Globaal geef je 3-4 dagen per week 30-50% dik bevleesde karkassen, eventueel op die dag aangevuld met spiervlees en/of orgaanvlees en een deeltje gezonde 'overige'. Dit kun je afwisselen door op andere dagen prooidieren te voeren, een visdag of een pensdag in te lassen of eens een maaltijd spiervlees met groentes te geven.

Spiervlees

 

Geitenvlees, kalkoenvlees, kipvlees, konijnenvlees, lamsvlees, paardenvlees, kalfsvlees, rundvlees etc. Dit is het meest gangbare aan 'los' spiervlees. Het invoeren van meerdere spiervleesdagen per week raden wij af. Dit is tegennatuurlijk en niet in balans. Hiervoor in de plaats zou je dik bevleesde karkassen kunnen geven, aangevuld met een klein deel spiervlees of orgaanvlees. Je mag een maaltijd spiervlees vervangen door vuile pens, aangezien pens een prima calcium/fosfor balans heeft.

 

Orgaanvlees

 

Organen waarmee aangevuld kan worden tot 10% per week zijn lever, nier, hart, long, strotten (vallen bij de berekening onder RMB's), testikels, maagjes, tong, milt, darmen, pancreas, hersenen, ogen, huid etc. Pens is een orgaan, maar mag je aanvullen als een maaltijd los spiervlees of bijtellen als orgaan tot 20%.

 

Botsoorten


Geef nooit kaal bot en geef enkel dik bevleesde karkassen 'groter dan de bek'! 
Kook een bot nooit! Dit in verband met het veranderen van de structuur van het bot na verhitting, waardoor het splintert en niet goed meer verteert.

Voer altijd dik bevleesde karkassen van kleine prooidieren en jonge zoogdieren. De verhouding van zo’n karkas moet minstens 50/50 zijn en bij voorkeur 70/30 of 80/20 (incl. vet/huid/vacht). Dus een karkas bestaat minstens uit 50% spiervlees en 50% bot. Bij deze verhouding geef je een derde los spiervlees, wat orgaan en/of overige (gezonde tafelresten zoals groentes, pitten/zaden etc.) bij om verteringsproblemen voor te zijn. Je komt dan uit op een gemiddeld botpercentage van 15%. Afhankelijk van de hond zit hierin een marge van 10%-20% kaal bot. Het percentage orgaan varieert van 10%-20%. Intacte prooidieren zoals konijn, eend, haas en gans hebben een botpercentage van gemiddeld 8%. In zijn algehele staat als prooidier is het voor dat voermoment 'compleet' en in balans. 

 

Sommige honden hebben meer dan 15% bot per week nodig. Weer andere honden raken verstopt als ze meer dan 10% en zelfs 15% bot moeten verteren. Teveel bot en te kale karkassen werken stoppend, waardoor al gauw krijtpoep en moeilijk ontlasten ontstaat. Dat is voor één maaltijd niet zo’n ramp, maar als dit veelvuldig voorkomt, is het zaak je menu erop aan te passen om verdere ontlastingsproblemen te voorkomen. Dat is een voordeel van zelf samenstellen. Geen 1 hond is hetzelfde, net als de mens eigenlijk. Je leert dan ook als eerste naar de ontlasting van je hond te kijken. Als volleerd 'poepkijker' kun je zo het omschakelingsproces van je hond perfect in de gaten houden. 

Wat zijn dik bevleesde karkassen?

 

Carnivoren, dus ook jouw hond, hebben een schaargebit, dat bedoeld is om te trekken en te scheuren aan karkasdelen. Hompen worden door het gebit 'geknipt' oftewel gekraakt, zodat ze makkelijk de slokdarm passeren en daarna in de maag belanden. Het maagzuur kan op deze manier optimaal inwerken op de botfragmenten en dat komt de verdere vertering in de maag ten goede.

 

Voer bij voorkeur dik bevleesde karkassen 'groter dan de bek'. Hiermee voorkom je dat het dier schrokt en het karkas onbehandeld naar binnen wordt gewerkt. 

 

Rugkarkassen, vleugels en nekken van gevogelte zoals kip en tamme eend en hele karkasjes van duif, kwartel en patrijs zijn voor een omschakeling geschikt als beginnerskarkassen voor zowel kleine als grote honden.

 

Fazant, parelhoen en gans zijn voor de meer ervaren grote honden geschikt en vaak eten kleine honden die al goed zijn omgeschakeld daar ook prima van mee.


Begin niet te snel met het introduceren van wild gevogelte. De hond zal moeten wennen aan de specifieke wildgeur en tijdens een omschakeling wordt het hierdoor niet altijd goed gegeten. 

Na een goede omschakeling zijn rugkarkassen van kleine zoogdieren zoals haasachtigen (konijn en haas) geschikt voor zowel kleine als grote honden. Zorg altijd dat je dik bevleesde karkassen voert 'in de verhouding tot dat prooidier'. 
Eventueel kun je ook volledige prooidieren voeren met huid en haar of in de veren. Pluk van gevogelte zoals gans en eend de slagveren en staartveren zoveel als mogelijk uit. Een goed omgeschakelde hond kan dit ook zelf uitplukken. 

Karkassen van grotere zoogdieren zoals lam, geit, hert, ree en kalf zijn geschikt voor grote honden die goed zijn omgeschakeld:


Ribben, rugdelen, schouders, strotten, koppen, staarten.
Geef alleen onderdelen van zeer jonge dieren.
Boterzachte lams- en geitenribben en -strotjes van zeer jong lam en geit zijn ook geschikt voor kleine honden. 

Pas op met 'recreatiebotten'

 

Recreatiebotten zijn dragende delen van grote zoogdieren en meestal vrij kaal. Deze botten zijn niet geschikt als vast onderdeel van een zelf samensteld menu. Wil je een dergelijk bot wel zo heel af en toe geven, zorg dan dat het dik bevleesd is en haal het weg als het vlees eraf gevreten is of na hoogstens een half uur. Voorbeelden zijn runderknoken, kalfspoten en lams- en geitenpoten van te oude dieren.

Het bovenstaande geldt ook voor te harde schedels/koppen van te oude grotere diersoorten.

Voorbeelden zijn koppen van te oud lam, schaap, geit, kalf en paard.
Als je ziet dat je hond moeite heeft om er doorheen te komen, haal het dan weg.

Recreatiebotten en te harde onbevleesde schedels zijn tandenbrekers en slijten de tanden en kiezen van je hond snel af!

 

Dr. Tom Lonsdale schrijft in Raw Meaty Bones:

"Low-fat game animals and fish and birds provide the best source of food for pet carnivores.
If using meat from farmanimals (cattle, sheep and pigs) avoid excessive fat, or bones that are too large to be eaten.

Dogs are more likely to break their teeth when eating large knuckle bones and bones sawn lengthwise than if eating meat and bone together." 

Vis

 

Vette zoutwater vissen zoals haring (ongepekeld), makreel, sprot en (wilde) zalm.
Mager vette zoutwater vissen zoals mul, poon, sardien, schol, tarbot en tonijn.  
Magere zoutwater vissen zoals kabeljauw, heek, koolvis, schelvis, tilapia, tong en wijting. 

 

Dit kan afgewisseld worden met zo af en toe zoetwatervis, zoals forel. Het advies is om zoetwatervis minimaal 10 dagen in te vriezen in verband met parasieten. Na die invriesperiode kun je het zonder problemen aan je hond geven.
Zeevis moet sinds 2007 verplicht minstens 24 uur zijn ingevroren, voordat het in de verkoopschappen gaat. Het is niet per definitie nodig om dan 10-21 dagen in te vriezen, maar voel je je daar prettig bij, dan is dat geen enkel probleem.

 

Over vis.............


Vis bestaat in hoofdzaak uit spierweefsel dat is opgebouwd uit eiwitten. Het is licht verteerbaar, doordat het minder bindweefsel bevat dan vlees. Alle vissoorten zijn rijk aan essentiële aminozuren omega 3 EPA (eicosapentaeenzuur) en DHA (docosahexaeenzuur), omega 6 en omega 9.

Vis in zijn algemeenheid is erg rijk aan vitamines.
Vette vis bevat veel vitamine A, B (waarvan B12 en foliumzuur B11), D en E.

In vis zit o.a. jodium, chroom, fluor, selenium, taurine en zink.


Vis en afbraak van vitamine B1

 

Vis is een prima onderdeel van de rauwe voeding voor een carnivoor. Een bepaald enzym (thiaminase) in met name zoetwatervis en zeevis als haring, is in staat om vitamine B1 af te breken. Dit gebeurt echter in zulke kleine hoeveelheden dat wel heel erg veel vis moet worden gevoerd, om de hond een vitamine B1 tekort te laten oplopen.

Vette vissoorten zijn erg rijk aan hoogwaardige aminozuren. Ze bevatten ook belangrijke vitamines en mineralen zoals selenium en taurine. Een gevarieerde voeding met verschillende soorten vlees, botten en orgaan, heft het thiamine-afbraak verhaal op. Immers, in vleeskarkassen en orgaanvlees zitten al zoveel goede vitamines en mineralen dat de kans op tekorten echt uitgesloten is.

Hooguit tweemaal per week vis is voor veel honden een feestje.
Bij een gevarieerd zelf samengesteld menu is éénmaal per week voldoende.

Rauwe eieren

 

Rauwe eieren zijn vaak een standaard onderdeel van een goed BARF of NRF menu. Mogens Eliasen geeft als richtlijn 1 ei op 5 kg lichaamsgewicht van een hond. Een hond van 30 kilo zou dus 6 eieren mogen. In de praktijk geven wij onze jonge golden gemiddeld 3 eieren per week. Deze eieren zijn biologisch, rechtstreeks van de boer en uiteraard zonder fipronil. Het is een traktatie voor de hond en niet in de laatste plaats erg gezond. 


Rauwe eieren en de mythe over biotinetekort

 

Het voeren van alleen het rauwe eiwit en dat langdurig in grote hoeveelheden, vergroot de kans op een biotine-tekort. De stof avidine uit dit rauwe eiwit is dan in staat om biotine af te breken. Die biotine-afbraak is niet van toepassing als het ei in zijn volledige staat als ‘prooi’ wordt gegeven, omdat er balans is in die verhouding. Het eigeel bevat biotine en tal van andere goede vitamines, mineralen en aminozuren. De biotine heft de werking van de avidine uit het rauwe eiwit op. Eierschaal is een goede calciumbron en zorgt dat alle mineraalverbindingen goed door het lichaam worden opgenomen. Om een optimale opname mogelijk te maken, zal je het ei moeten pureren. 

Overige

 

Een hardnekkige bewering is dat groentes vooral worden gegeven om de pensinhoud van een prooi na te bootsen en dat ze verder geen functie hebben. Groentes, verse kruiden, kiemspruiten, grassen, algen, noten, zaden en pitten zijn prima vormen van ruwe vezels, bevatten belangrijke anti-oxidanten die het lichaam onder meer beschermen tegen oxidatieve stress, zijn rijk aan mineralen en vitamines en hebben een gunstige invloed op belangrijke organen zoals de nieren, pancreas en lever.

 

Is jouw hond gek op groentes, dan mag je gerust 10% tot 15% uit een gepureerde groentemix laten bestaan. 

 

Je mag binnen de marges van het 'overige' ook aanvullen met gezonde tafelresten, een beetje fruit (vooral vers bosfruit dat rijk is aan belangrijke beschermstoffen), eieren, imkerhoning en gefermenteerde zuivelproducten.

 

Er zijn honden die groentemixen en fruit niet van harte willen eten. Onze Ozzy nu is daar zo'n prachtig voorbeeld van. 5% van zijn totale weekmenu bestaat uit groente-, kruiden- en kiemmix en 5% vullen we aan met algen, imkerhoning, kefir en eieren. Het bewijst maar weer dat de hond zelf uiteindelijk bepaalt wat hij nodig heeft. 

Pro- en prebiotica

 

Probiotica in poedervorm kan succesvol worden ingezet bij chronische verteringsproblemen, chronische huidklachten, chronische klachten van allergische aard en weerstandsvermindering. Let er dan op dat een product glutenvrij is en geen gist, zuivelproducten, maïs, bijenwas, soja, rijst, smaak-/kleurstoffen en conserveringsmiddelen, suiker en lactose bevat.

 

Melkkefir is een enzym- en bacterierijk voedingsmiddel en werkt als een natuurlijk probioticum. Het is rijk aan goede enzymen, bacteriën en heilzame gisten, belangrijke mineralen, aminozuren en vitamines uit de B-groep, waardoor het in staat is om het immuunsysteem in zeer korte tijd een flinke booster te geven. 

Yoghurt en karnemelk zijn ook een natuurlijke probiotica, maar bevatten kortwerkende darmbacteriën en lang niet alle soorten goede darmbacteriën en gisten als in kefir. Biologische geitenyoghurt, -karnemelk en -ricotta worden meestal beter verdragen dan koezuivel. Honden kunnen allergisch reageren op te ver doorbewerkte zuivelproducten van koeien of hebben een voedselintolerantie. Veel volwassen dieren missen het enzym lactase dat nodig is om lactose uit melkeiwitten te verteren. Rauwe geitenmelk bevat van nature veel lactase enzymen. Pups, jonge honden en ouderdieren die dit al van jongs af aan krijgen, hebben vaak minder moeite met het verteren van rauwe geitenmelk producten.

Gefermenteerde groentes bevatten ook goede darmculturen. Een voorbeeld van deze vorm van prebiotica is rauwe zuurkool; fijn gesneden, mengen met wat andere groentes/kiemspruiten/kruiden of over het vlees.
De meeste honden vinden dat erg lekker.

 

Een goede vuile pens van geit, lam of rund wordt al van oudsher beschouwd als natuurlijke pro- en prebiotica voor honden. De aanwezige actieve micro-organismen en enzymen spelen een rol in de voorvertering van voedsel in deze eerste maag van herkauwers. Toch is het zo dat deze micro-organismen niet kunnen overleven bij een pH waarde lager dan 6.0. De pH waarde van de maag bij rauw gevoerde honden is in verteringstoestand gemiddeld 1-2. Maak je niet druk om de gefermenteerde voeding in de pens. Dat hebben honden op zich niet nodig. De pens, dus deze maag zelf zonder inhoud, bevat nuttige voedingsstoffen, die op de één of andere manier toch bijdragen aan het optimaal functioneren van het spijsverteringsstelsel.

Boekmaag is net als de pens en netmaag 1 van de 3 voormagen van herkauwers. De lebmaag is de laatste van de 4 magen en heeft als hoofdfunctie het afbreken van eiwitten in een pH waarde 2-3. In de boekmaag vindt het laatste verteringsproces van voedsel vanuit de voormagen plaats. De binnenwand van deze maag ligt in plooien, vergelijkbaar met de bladen van een boek. Via die plooien wordt het voedsel verder getransporteerd naar de lebmaag. De boekmaag wandplooien zijn in staat om enorm veel vocht uit de chymus (voedselbrei) te onttrekken. Deze wandplooien resorberen ook veel mineralen en verschillende vetzuren uit de chymus. Hierdoor is boekmaag zeer vezelrijk en door het verdere verteringsproces makkelijker opneembaar dan vuile pens, rijk aan bacteriën, enzymen en voedingsstoffen. Boekmaag is als natuurlijk probioticum en prebioticum beter dan pens.
 

Onbewerkte imkerhoning bevat levende enzymen en functionele voedingsstoffen die ten goede komen aan het maag- en darmstelsel en de algehele weerstand. In een onderhoudsdosis heeft honing waardevolle eigenschappen voor de maag en darmen van honden.

Wat vaak wordt waargenomen tijdens een omschakeling van koolhydraatrijke fabrieksmatige voeding naar een natuurlijke rauwe voeding, is dat de hoeveelheid ontlasting een minimaal volume heeft. Op de natuurlijke rauwe voeding vindt een betere nutriëntenopname plaats.

De omschakeling vergemakkelijken

 

Om de omschakeling te vergemakkelijken, kun je het gevogelte ontvellen en het vet dat aan de karkassen hangt weg snijden. Voer niet geheel vetvrij, ook vet heeft zijn functie.

Ook is het een goede optie om de karkassen een aantal malen te bewerken met een hamer. Het bot bestaat dan deels uit fragmenten, maar is wel ingepakt door het vlees aan het karkas. Mocht je hond alsnog schrokken en het karkas inslikken, dan kan het maagzuur in elk geval inwerken op de losse botfragmenten en ben je verteringsproblemen voor.

 

Afhankelijk van het type hond kun je de karkassen voor het dier vasthouden, zodat hij er stukken vanaf kan eten. Onze ervaring is dat dit bij pups die nog moeten leren om karkassen te eten, heel goed werkt. Goed aangeleerd leren schrokkers en honden met voernijd je te vertrouwen en niet als directe concurrent te zien.